Beste vrienden
De bijlage geeft een pagina weer uit een interessant boek. Deze auteur heeft
ook nog het volgende boek geschreven: "1302, door tijdgenoten verteld".
ik heb beiden in uitleen van de bibliotheek van Gent. Het tweede boek leest
als een thriller.
Mijn oudste dochter heeft op de radio een recentie gehoord van een recent boek:
Titel ; 1302 : opstand in Vlaanderen Auteur(s) ; Jan Frans Verbruggen en Rolf
Falter
Uitgeverij ; Tielt : Lannoo, 2001 Collatie ; 278 p. : ill CODE ; ISBN 90-209-4412-6
waar de mythe van de Klauwaerts ook onderuit gehaald wordt.
De bladzijde in bijlage suggereert dat de leeuw en de klauwen van de leeuw in
de 13de en 14de symbolen waren van de engelse koning.
Volgens de stelling van Bob is de naam Klauwaert ontstaan in een dispuut tussen
Gentenaars en Bruggelingen rond 1380. In deze periode hebben beide steden meerdere
batailles (veldslagen) uitgevochten.
De Bruggelingen hadden van de Graaf van Vlaanderen toelating gekregen om een
kanaal te graven tussen Brugge en Deinze om zo rechtstreeks toegang te krijgen
naar de Leie en zo naar Kortrijk en Noord-Frankrijk. Deze waterweg is er gekomen
en is nu waarschijnlijk het Schipdonk kanaal. Dit zinde de Gentenaars niet want
zo verloren zij veel doorvaart taksen want de
Bruggelingen moesten niet meer langs Gent passeren.
De Gentenaars vormden de kern van de opstand tegen Frankrijk en de aansluiting
met Engeland, de zogenaamde anglofilie. Zij hebben hardhandig geprobeerd om
Brugge mee te krijgen. De anglofilie had haar hoogtepunt rond 1380.
Mijn thesis is nu: de Gentenaars werden Klauwaert genoemd omwille van hun sympathie
voor de Europesche leeuw van deze periode, de engelse koning.
Een stelling kan juist of fout zijn. Maar ik vind het wel de moeite om over
na te denken en wat opzoekingswerk te doen.
Groeten,
Julius
Het avontuur van de liebaards. 1297-1302-1304
Dr. Leo Delfos
Drukkerij-Uitgeverij Lannoo Tietlt 1952
P 59
Het visioen met bet beeld van de eenhoorn, bet fabeldier met de gestalte van
een paard en een grote hoorn op het voorhoofd, dat onder de naam van een abt
Joachim. rondging. moge hier de droomwereld helpen tekenen, die midden in de
vraagstukken van de reële wereld binnendrong .
'Van de westelijke kusten zal een eenhoorn uitgaan. met het vaandel der luipaarden
(het Engelse banier). Zijn stoutmoedigheid zal bij de Gal1en (de Fransen) een
bloedbad aanrichten en hun steden vernietigen. Zo hevig zal zijn razernij wezen,
dat hij zich met zijn tanden een weg zal banen tot aan de muren van Parijs.
De rechtervleugel van Teutonia (het ' Nederland ') zal hem ter hulp snellen.
Dan zal hij in een ongerepte schoot worden gevangen. Daarna zal de adelaar opvliegen
en stijgen boven de zon en de maan, zodat hun straling vervaarlijk zal verdonkeren.
en hij zal beide vernederen en terugbrengen naar de eerste staat van het kruisbeeld.
Want in die tijden zullen zon en maan een verduistering ondergaan om der wille
van de boosaardigheid en de hoogmoed der stralen. En zodra deze dingen zijn
begonnen, zullen vele menselijke engelen achteruitdeinzen, maar hun oversten
zullen blijven staan. De raven zullen allemaal afvallig worden en aan de christelijke
volken veel kwaad berokkenen...'
De tijdgenoot kon in de genoemde symbolen duidelijke toespelingen lezen, die
wel zeker niet zegden wat er ging gebeuren, maar toch wat zekere kringen wensten
dat zou geschieden. Dit was ook de bedoeling van het volgende tafereel, dat
de naam van Merlijn droeg, en waarin de Leeuw waarschijnlijk Engeland betekent,
en de Lupard of Liebaard Vlaanderen.
Die Leeu soude briesen ende gapen
Ende mit sine clauwen so sere braken
Dat alle diegene die hem jegen-
comen, sellen werden verslegen
Ende verbeten van sinen tanden.
Daerna comt die Lupard te handen {thans)
Ende werd so fel tuscen die brauwen
Ende richt hem uut met den clauwen
Ende sleept 't al aan met den steerte
Dat iegewelken daer sijn herte
mach ontgaen, die 't siet an.
Daerna werd die Lelie dan
Te sticken gesceurd al te male
Ende blijft daerna in lange quale' 58.
Referentie 58:Spieghel Historiae, berijmd door Lodewijck van Velthem, uitg.
H.Van der Linden, W.de Vreese, P.De Keyser, DI II , Brussel 1931, VII, cap.11