De genealogie van de familienaam Clauwaert door de eeuwen tot op vandaag

Rond 9000 jaar voor Christus vestigde de “mens”zich op een vaste plaats in Mesopotamië tussen Eufraat en Tigris en ontstond de landbouw.
Bier werd beschouwd als vloeibaar brood : door gemalen granen met lauw water te overgieten, ontdekte men dat dit meel omgezet werd tot vloeibaar suiker en door het te laten staan, vergistte de suiker spontaan tot alcohol. Dit is vandaag nog altijd wat brouwers doen.
Het samen gaan tussen bier en brood wordt duidelijk geïllustreerd door de beeldengroep hieronder, die men gevonden heeft in de grafkelders van een farao. Deze bedienden zijn bezig met brood bakken en bier brouwen. Zij moesten er voor zorgen dat de overledene goed voorzien was van spijs en drank in het hiernamaals. Deze groep is gemaakt van beschilderd hout, linnen en klei en dateert uit het begin van de 12de dynastie (1980-1801 v. C.).

De Grieken en de Romeinen hebben de band tussen bier en brood niet behouden omdat zij wijndrinkers waren.
Wanneer de landbouw zich in West Europa verspreidde, volgde het recept om vloeibaar brood te maken.
In de Vroege Middeleeuwen bleef bier brouwen een huishoudelijke aangelegenheid : de vrouw bakte brood en brouwde bier.
Tijdens de Kersteningstijd onder Clovis ontstonden kloosters. Eén van de kloosterregels bepaalde dat de kloosterlingen hun eigen kleding, voedsel en dranken moesten vervaardigen. Het vrij alcoholrijke “patersbier” werd gebrouwen voor henzelf en de pelgrims op bezoek. Het lichtere “kloosterbier” was voor de kloosterzusters.
Aan het einde van de 12de eeuw namen herbergen meer en meer de taak van de huisvrouw en abdijen over. Ook hier waren het vooralsnog de vrouwen die het werk deden. Van allerlei granen zoals gerst, tarwe, rogge, haver en boekweit maakten ze een kleverig brouwsel dat troebel was (nu gekend als “witbier”).
Dat brachten ze op smaak met een kruidenmengsel dat ze “gruut” noemden. Het hoofdbestanddeel van dat mengsel was “gagel” (ook Brabantse myrte genoemd). De andere kruiden verschilden van stad tot stad. De meest gebruikte waren rozemarijn, koreander, duizendblad, jeneverbes, kaneel, anijs, kruidnagel, salie, saffraan, laurier, wilde rozemarijn, hars, serpentien, sinaasappelschillen en citroenschillen. Door het kruidenmengsel te veranderen, verkregen ze een eerste vorm van smaakverscheidenheid.
Omdat de locale machtshebbers geld gezien hadden in “gruut”, onderwierpen ze het gebruik van gruut aan het “gruutrecht” (bv. Gruuthuze te Brugge).
In het jaar 1364, vaardigt Keizer Karel IV van Duitsland de “Novus Modus Fermentadi Cervisiam” uit. Dit was de nieuwe wettelijke brouwwijze, revolutionair door het gebruik van hop. Tot dan toe bestond enkel “spontane gisting” wat resulteerde in zuur bier (cfr de huidige geus).
Het Hertogdom Brabant behoorde tot het Duitse Keizerrijk en nam de nieuwe brouwwijze over. Mede daardoor zijn de bieren met hoge gisting nu nog vooral Brabantse specialiteiten.
Vlaanderen was nog onrechtstreeks onder de invloed van de Franse koning die het gruutrecht verder wilde uitoefenen en dus het gebruik van hop verbood.
Het brouwen met hop verbeterde de kwaliteit van het bier enorm, want hop remde selectief de groei van bacteriën af. De gistflora kon zo de bovenhand nemen. Nu begon de brouwer ook gist of gegiste resten van een vroeger brouwsel aan het wort toe te voegen en bekwam men bier van constante kwaliteit. Men gebruikte alleen gisten die op een hoge omgevingstemperatuur actief waren. Dit gaf een volledig ander biertype : de “hoge gistingsbieren” waren geboren. Een ander belangrijk voordeel van hoppe bier is dat het bier stabieler werd en veel langer kon bewaard worden. Men kon dus het bier exporteren naar andere steden en andere gebieden.
In Vlaanderen bleef het gruutrecht nog zeker 100 jaar van toepassing en de gisting van het bier bleef daar gebeuren met een mengeling van gist en tal van bacteriën, waaronder de melkzuurbacterie. Daarom dat Vlaanderen de bakermat is van de “bruinzure bieren van gemengde gisting”.
Lodewijk van Gruuthuse was de laatste van de Gruuthuse familie uit Brugge die in opdracht van de graven van Vlaanderen en later de hertogen van Bourgondië de gruuttaks moest collecteren. Hij leefde van omstreeks 1427 tot 1492.Hij was een rijk man en een groot kunst maecenas. Hij liet ondermeer een schitterende laatmiddeleeuwse residentie bouwen nl. het Gruuthuse paleis.Dit paleis bestaat nog steeds en werd in 1955 tot het stedelijk Gruuthusemuseum omgevormd. Op het einde van zijn leven was de gruuttaks reeds verdwenen want in het 2de deel van de 15de eeuw werd ook in Vlaanderen reeds hoppe gebruikt bij het bier brouwen.
Maar de concurrenten uit Brabant (vooral Leuven) en enkele Nederlandse steden had het gat in de markt ontdekt en voerden van af de jaren 1400 grote hoeveelheden bier uit naar Vlaanderen.
Inde periode 1450 tot 1500 ontstonden ook op vele plaatsen in Vlaanderen brouwerijen die het brouwen van hoge gisting bieren met hoppe onder de knie kregen.
Het gebruik van bier nam een hoge vlucht omdat het eigenlijk de enige niet besmette drank was (tijdens de bereiding wordt het bier immers gekookt en het gebruik van hop bleef het bewaren tegen schadelijke bacteriën). Melk en water waren meestal met allerlei bacteriën en parasieten besmet.
Bier maakte, samen met brood, het dagelijkse voedsel Daarom beschermde de overheid de kwaliteit ervan en schreven de magistraten zeer gedetailleerde brouwvoorschriften uit. Het gevolg was dat elke stad zijn eigen smaakprofiel kreeg.
Elke Vlaming ( van kind tot ouderling) dronk gemiddeld ongeveer 350 l bier per jaar. Het gemiddeld alcohol gehalte van enkel bier was maximum 2%).

 

Zie ook:

Huis de Spiegel

Reactie van de “Bierproever”

Handelingen XXXV-1981

Uilenspiegel en Clauwaertbier

ultricies amet, leo. in venenatis sit nunc felis Curabitur dolor odio