Zoekwerk

(1931)– [tijdschrift] Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde

 

Aan de dagorde staat:

 

1oStudie over de H. Dymphna, door Dr. Van Doninck. Voorgesteld wordt den schrijver te verzoeken zijn stuk

liever te plaatsen in een tijdschrift waar het beter op zijn plaats zou zijn en meer bijval zou genieten.

 

2oOver Klauwaerts en Leliaerts. – Lezing door Mr. L. Willems. De tegenwoordige beteekenis van Klauwaert gaat

terug tot den Leeuw van Vlaanderen van Conscience: het woord is zooveel als Vlaamschgezinde en staat

tegenover Leliaert, dat gelijk staat met Franskiljon. In de middeleeuwen echter was dat niet zoo.

De term Klauwaart is niet bekend als partijnaam in den strijd van de Vlamingen tegen Philips den Schoone.

Eerst in de chronijk gezegd van Jan van Diksmude wordt de naam aangetroffen voor den tijd van Lodewijk van

Male, als benaming der Gentenaars, met de verklaring dat ze als teeken op de mouw van hun kleed de

afbeelding van drie klauwen droegen, terwijl de Bruggelingen de lelie als herkenningsteeken hadden.

Dit wordt bevestigd door het Memorieboek der stad Gent, in eene aanteekening op het jaar 1380, die

hetzelfde zegt, en, ten slotte, afdoende bewezen door de Rekeningen van Gent. Hier is er in de jaren 1336-1339

meermaals sprake van ‘frocken metten clauwen’. De klauwen zijn natuurlijk leeuwenklauwen, maar de leeuw is

die van het Gentsche wapen, niet die van Vlaanderen. Klauwaart beteekent dus eigenlijk Gentenaar zonder

meer. – Aangaande Leliaart merkt spreker op dat ilie en Liliaert met i de oudste vormen zijn die lang uitsluitend

 in gebruik zijn gebleven

 
   

.

Na eene levendige bespreking waaraan verschillende leden deelnemen, bedankt de Voorzitter Mr. L. Willems en stelt voor zijne bijdrage op te nemen in de Verslagen en Mededeelingen.

 

Memorieboek der stad Gent noteert hetvolgende.

Item, in dit zelve jaer was Brugghe ghewonnen ende tweewaerf binnen der stede van Brugghe zeere ghevochten, die van Ghent jeghens die van Brugghe, daer vele volcx bleef an beede zyden; ende men hiet te Brugghe die van Ghent Clauwaerts omme dat zy droughen op hare mauwe drye clauwen van liebaerts, ende die van Brugghe hiet men Lelyaerts, ende men zeyde:

1

Gheeraert de Wielmakere. S.B.

[p. 110]

 

 

Clauwaert, Clauwaert, wacht u van den Lelyaert;

 Gaet ghy niet ghendewaert,

 Ghy laetter uwen tabbaert;

 Al waert ghy noch zoo zeere ghebaert,

 Zy zullen u maken vervaert.