De genealogie van de familienaam Clauwaert door de eeuwen tot op vandaag

Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent
Nieuwe reeks deel XXXV 1981
DE BROUWINDUSTRIE TE GENT, 1505-1622 door DE COMMER
Pagina .83
…….
Men is tot deze misvatting gekomen wegens het ontbreken van enige studie over de brouwindustrie en het bierverbruik in Vlaanderen. J. Craeybeckx en H. Soly hebben er echter reeds vroeger op gewezen dat gezien de hoge kostprijs van de wijn in de XVIe eeuw dagelijks wijnverbruik voor de gewone man onmogelijk was. Beide auteurs legden er de nadruk op dat slechts een alternatief beschikbaar was, nl. bier en dat een plaatselijke brouwindustrie van een zekere omvang hiertoe vereist was. Met onderhavige studie pogen wij aldus een bijdrage te leveren tot de kennis van de brouwindustrie in Vlaanderen. We hebben ons echter dienen te beperken tot de stad Gent, niettemin in de XVIe eeuw de grootste Vlaamse stad en een belangrijk centrum op het economische, sociale en politieke vlak.
Het betreft bier een kwantitatieve studie voor de XVIe eeuw omdat het overgrote deel van bet bronnenmateriaal bier op betrekking heeft. Veel tijdrovend opzoekingwerk heeft ons verhinderd dieper in te gaan op bijv. de sociaal-economische en politieke bindingen van de brouwers, het brouwersambacht en haar organisatie, aanverwante industrieën, zoals kuipers, e.d. ; de grondstoffen, brandstoffen, enz. ..Aanvankelijk hadden we gedacht aan de twee voorwaarden voor kwantitatief onderzoek te kunnen voldoen, nl. volledigheid en continuïteit van het bronnenmateriaal, later is echter gebleken dat dit niet altijd mogelijk was. Hierover echter later meer.
Eerst en vooral gaan we nader in op de verschillende biersoorten die te Gent werden gebrouwen en ingevoerd. Vervolgens behandelen we: de bierprijzen, de brouwers en tappers, de accijnsinning, het aandeel van de bier belastingen in het geheel van de stadsontvangst, de bierproductie, de import, de export en het verbruik.


I. DE BIERSOORTEN
We baseerden ons hierbij op de Voorgeboden, zijnde de ordonnanties uitgevaardigd door de Scbepenbank van de Keure 5.
1. De lokaal geproduceerde soorten
In het begin van de XVIe eeuw worden er te Gent slechts twee soorten bier gebrouwen, klein bier en dubbel bier, die in 1522 worden verkocht voor respectievelijk 0,5 en 1 groot per stoop (6). In dat zelfde jaar bekomen de Gentse brouwers van het stadsbestuur de toelating een nieuwe soort dubbel bier te produceren waarvan de prijs wordt vastgesteld op 1,5 groot per stoop. Het dubbel bier van 1 groot per stoop noemt men crabbelaer en dat van 1,5 groot clauwaert (7). In 1573 is deze laatste soort blijkbaar sterk verwaterd daar de brouwers aan de magistraat vragen een sterker bier te mogen brouwen. Na “diveersche requesten bij hemlieden daertoe gepresenteert” wordt hun verzoek ingewilligd en doet de dubbele clauwaert zijn intrede op de Gentse markt. De vroegere clauwaert noemt men vanaf nu enkele clauwaert. De brouwers moeten echter beloven de stad in voldoende mate van andere biersoorten te blijven voorzien; minstens zes brouwers moeten het klein bier blijven brouwen (8).
Op 1 maart 1585 geeft het stadsbestuur andermaal de toestemming tot het brouwen van een sterkere biersoort, die dusselaer. wordt genoemd (9).
De controle op de verhandeling van deze verschillende biersoorten werd in sterke mate bevorderd door de verschillende merktekens die in de tonnen moesten gebrand worden. Aan de hand van een tabel zullen we de evolutie hieromtrent toelichten.

Tabel 1: Wijzigingen in de merktekens van de tonnen, 1522-1585

overzicht

Opmerking :

a) Deze tekens moeten in de tonnen worden gebrand op de beide uiterste zijden, althans vanaf 1538.
b) Vanaf 1550 moeten de tonnen ook het teken van de brouwers dragen. d) Vanaf 1567 komt er het stadsmerk bij. De tonnen dienen aldus voorzien te zijn van drie merktekens : het teken van de brouwerij, de ijking van de stad en het teken van de biersoort.
Vanaf 1569 mogen deze tekens enkel nog door de “ghezworen brandtmeester” in de tonnen worden gebrand.
d) Over het merkteken vereist voor de ton dubbele clauwaert wordt nergens melding gemaakt.

Het stadsbestuur is er steeds voor beducht geweest dat de brouwers de belastingen zouden ontduiken door verschillende biersoorten met elkaar te mengen. Allerlei voorgeboden werden uitgevaardigd met het doel zulke misbruiken te voorkomen.

Tot 1579 mocht elke brouwer alle biersoorten produceren ; het was alleen verboden twee soorten tegelijkertijd te brouwen. Wenste men bijv. van klein bier over te schakelen naar dubbel bier, dan dienden eerst de tonnen klein bier uit de brouwerij verwijderd te worden en in een kelder opgeslagen. Tot 1559 mocht deze laatste zich wel in dezelfde straat als de brouwerij bevinden, maar daarna moest hij er tenminste vier straten van verwijderd zijn.

Heeft de introductie van dubbele clauwaert in 1573 aanleiding gegeven tot misbruiken? Zeker is alleen dat het stadsbestuur zes jaar later de brou­wers verplicht ieder een soort te kiezen waarvan men pas mag afstappen elke drie maanden na schriftelijke verwittiging van de pachters veertien dagen op voorhand. Het bier van de soort die men voordien placht te pro­duceren dient men eerst van de hand te doen alvorens met het brouwen van de andere soort een aanvang te nemen . Enkele clauwaert en crabbe­laer mogen wel tegelijkertijd worden gebrouwen in één brouwerij, doch dubbele clauwaert en klein bier dienen afzonderlijk te worden gebrouwen. In 1585 wanneer dusselaer op de markt komt blijft de toestand ongewijzigd met het verschil dat dubbele clauwaert en dusselaer samen mogen gebrou­wen worden

De biersoorten die samen mogen getapt worden

Ook vanwege de tappers vreesde het stadsbestuur dat zij de verschillende biersoorten zouden vermengen en om dat tegen te gaan schreef men voor dat iedere tapper zich moest beperken tot één of meerdere soorten, echter alle min of meer van dezelfde kwaliteit.

In 1517 wordt voor het eerst hierop de aandacht gevestigd : tappers van dubbel Gents bier, keyt of ander vreemd bier mogen geen klein bier tappen. Van deze laatste soort mogen ze enkel 2 of 3 stopen in hun huis halen, bestemd voor eigen gebruik binnen het gezin 64.

In 1527 verbiedt men het samen tappen van crabbelaer, toen nog een dubbel bier, met klein bier 55. Clauwaert, de andere dubbele biersoort dient gescheiden van crabbelaer of klein bier getapt te worden, samen met keyt is echter wel toegelaten. Dit alles wijst erop dat crabbelaer als een tussensoort dient beschouwd te worden tussen clauwaert en klein bier.

In 1559 wordt nogmaals herhaald dat clauwaert, crabbelaer en klein bier afzonderlijk moeten getapt worden.

In 1579 mogen crabbelaer en klein bier samen getapt worden. De tappers moeten een bordje uithangen waarop staan een leeuw en een „palmken”. Ze mogen geen andere soorten inleggen. De andere soorten mogen samen getapt worden doch zonder crabbelaer of klein bier. De vereiste tekens zijn voor dubbele clauwaert: een klauw, voor de vier vreemde bieren en de hollandse bieren : het wapen van de stad van herkomst.

Een tapper moet zoveel tekens aanbrengen op het bord als er soorten bij hem worden getapt,-. Voor keyt was het vereiste teken reeds vroeger „het teecken vander gauwe, upgescildert goutsche keyt”. Alle drie maan­den mogen de tappers van groep veranderen doch moeten zich eerst ont­doen van al hun bier. Dit moet de pachters schriftelijk bericht worden.

In 1585, bij de opkomst van dusselaer, komt men tot de volgende regeling. Klein bier en crabbelaer samen, doch alleen deze twee. Enkele clauwaert en dubbele clauwaert samen, doch alleen deze twee. Dusselaer en de vier vreemde bieren, samen met het Hollandse bier en het keyt. De tappers van dusselaer moeten een bordje uithangen met teken „Y-X”, daar­onder de prijs (nl. 20 schellingen gr./ton). Ook de andere tappets moeten vanaf nu de prijs aanbrengen op hun bordjes.

In 1588 is de toestand als volgt. Enkele clauwaert en crabbelaer zeker niet samen. Dubbele clauwaert mag men tappen met één van de twee soor­ten enkele bieren, nl. enkele clauwaert of crabbelaer, doch ook met de vier vreemde (buitenlandse) bieren, de „inlandsche” en het keyt fit. We merken op dat de dusselaer dan niet meer wordt gebrouwen.

Vanaf 1606 mag elke tapper slechts één soort tappen.

Enkele clauwaert

De productie van enkele clauwaert maakt een veel ernstiger crisis door tijdens de periode 1569-1622, in zoverre zelfs dat deze biersoort, die ont­stond ca. 1522-7, in 1622 niet meer wordt gebrouwen. Haar functie als tussensoort tussen dubbele clauwaert en crabbelaer is verloren gegaan we­gens een verregaande verwatering waardoor enkele clauwaert waarschijnlijk meer en meer op crabbelaer is gaan lijken.

In 1573/4 wordt nog 33.382 ton gebrouwen doch vanaf het volgende jaar begint de daling van de productie.

Dubbele clauwaert

De productie van deze biersoort, die een aanvang neemt in 1573, kent, in tegenstelling tot de drie voorgaande soorten, een stijgend verloop tot in 1583. Dubbele clauwaert neemt steeds een groot deel van de totale productie voor zijn rekening met uitzondering van het midden der jaren tachtig wanneer vooral dusselaer wordt gebrouwen. Bij het verdwijnen van dusselaer, waarschijnlijk wegens de hoge kostprijs ervan, herstelt de productie van dubbele clauwaert zich onmiddellijk. De productie schommelt rond de 30.000 à 35.000 ton tot ca. 1604, waarna weer een daling vast te stellen is. Deze daling is niet te verklaren door de duurte van de granen aangezien tijdens deze jaren tot 1607 de graanprijzen laag zijn, 1607 en 1608 zijn echter weer twee duurtejaren.

Brouwers en hun productie

Men vindt voor drie biersoorten, nl. dubbele clauwaert, enkele clauwaert en crabbelaer, het aantal brouwers met hun halfjaarlijkse productie terug, uitgedrukt in nominale cijfers en in percentages. Ken­nis van de ligging van iedere brouwerij zou meer klaarheid kunnen brengen doch deze informatie is niet bewaard. Wij beperken ons tot het bier clauwaert

Dubbele clauwaert

Uit de nominale cijfers kunnen we afleiden dat in de jaren tachtig een kleiner aantal brouwers een grotere totale productie verwezenlijkte dan in de jaren negentig vanaf wanneer steeds meer brouwers moeten instaan voor een dalende productie. In de jaren negentig is het aantal brouwers dat meer dan 1.000 ton per halfjaar produceert zeer sterk afgenomen. Steeds meer brouwers gaan tot de categorie 100-500 ton behoren.

We merken zeer duidelijk dat in de jaren tachtig de hoogste categorieën, nl. deze die meer dan 1.000 ton brouwen, nog instaan voor een derde en zelfs meer van de totale productie. Bij het verdwijnen van deze grootste brouwers neemt het aandeel van de categorie 100-500 ton in sterke mate toe. Samen met de categorie 500-1.000 ton gaan zij instaan voor de bijna totale productie van deze biersoort.

Enkele clauwaert

Het is opvallend dat bij deze biersoort in het jaar 1582-3 één brouwer, nl. Jacques Van Hoorebeke (in het gulden schip) instaat voor bijna de helft van de totale productie. Met de achteruitgang van de productie van deze brouwer merken we op dat de productie van enkele clauwaert zeer sterk daalt. Wanneer deze brouwer ca. 1595 ook minder dan 500 ton gaat brouwen produceert deze categorie ca. 80 % van de totale productie. In 1596 overheerst de categorie 50-100 ton en in het begin van de XVIIe eeuw gaat de categorie van brouwers die minder dan 50 ton per halfjaar brouwen instaan voor de helft van de productie tot zij in de jaren 1615-16 de volledige productie verzorgen.

Daar waar in het begin van de XVIIe eeuw nog ca. 50 brouwers deze soort brouwden is de populariteit ervan zeer sterk achteruitgegaan bij de brouwers: slechts een vijftal blijven over in 1615-16.

Over het algemeen kunnen we stellen dat het overgrote deel van de enkele clauwaertproductie steeds werd verzorgd door enkele grote brou­wers die zich op deze soort specialiseerden, met uitzondering van Jacques Van Hoorebeke, die ook bij de grootste crabbelaer brouwers behoorde, en verder door alle brouwers doch slechts in geringe mate.

 

 

De volledige inhoud en de artikels zijn terug te vinden in de publicatie over de Gentse bieren in de 16de eeuw:

P. DE COMMER, De brouwindustrie te Gent, 1505-1622, in: Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 35 (1981), pp. 81-114 en P. DE COMMER, De brouwindustrie te Gent, 1505-1622, in: Handelingen der

(5) Stadsarchief Gent (S.A.G.) reeks 93: “Voorgeboden”; BB (1482-1545); CC (1545-1560); DD (1560-1572); EE (1572-1582); FF (1582-1588); GG (1588- 1597); HH (1597-1616).
(6) Zie metrologische nota en muntverhoudingen.
(7) S.A.G. reeks 93 : BB fo. 103 -6.9.1527/BB fo.244 -30 aug. 1538.
(8) S.A.G. reeks 160, nr. 8: “lettre signee Hembyze’. 6 maart 1573.
(9) S.A,G. reeks 93 : FF fo. 129 -1 maart 1585.
(10) Vanaf 12 december 1538 valt de G bij crabbelaer en clauwaert weg.
(11) S.A,G. reeks 93 BB fo. 67v. 13 augustus 1522/BB fo. 244 -30 augustus 1538/BB fo. 244 .12 december 1538/cC fo. 103 -23 mei 1550/cc fo. 216 – 29 mei 1554/DD fo. 270 .13 november 1567/DD fo. 345v. -8 juni 1569/FF fo. 129- 1 maart 1585.

Zie ook:

Huis de Spiegel

Reactie van de “Bierproever”

Bierhistorie

Uilenspiegel en Clauwaertbier

nunc pulvinar leo accumsan vel, eleifend